woensdag 6 november 2013

Hoofdstuk 23 - Onontkoombaar

Hoofdstuk 23 

Jij mag me Van Zonderen noemen. Mijn naam is echter Johannes. Johannes Petrus Maria de Wild, om precies te zijn. Johan is ook goed. Of Jo. Ik luister overal naar. En nergens. 
Mijn leven is een chaos. Een opwindende werveling van verhalen, ideeën en illusies. Een vervelende bijkomstigheid ook. Soms is de chaos compleet en de verveling ver weg. Als saaiheid de boventoon voert, dan regeert de orde met ijzeren hand en betonnen teugels. Genadeloos. Stil. 
Mijn wereld is mooi. In de morgen straalt de dag me tegemoet. Ik open mijn ogen en aanschouw de tijd die voor me ligt. Mijn avonden zijn somber. De duisternis omvat me. Werelden groter dan ik ontvouwen zich in het donker en dringen zich op. 
Mijn leven glijdt voort in een zichzelf voortdurend vernieuwend vacuüm. Een ruimte die zich uitstrekt tot in het oneindige. Een benauwend geheel dat zich steeds strakker om me heen sluit. Adembenemend. Rigide in zijn eenvoud. 
Mijn wereld is van mij. Ik heb niets nodig. Begrijp me niet verkeerd. Ik wil wel meer. Veel meer zelfs. Een oneindigheid van wensen en hoop, van gedachten en woorden overvallen me herhaaldelijk. 
Ik weet niet waar ik vandaan kom. Ik weet wel waar ik naar toe ga. Mijn ondergang tegemoet. Net als jij. Hoeveel tijd ik heb, weet ik niet. Dat wil ik ook niet weten. Een leven zonder tijd en orde is mij meer dan genoeg. 
Jouw wereld, het leven van jouw mensen, het ontgaat me wat jullie bezig houdt en waar jullie naar toe gaan. Voortjakkeren als dolle honden, altijd haast, een leven gedicteerd door tijd. Zenuwachtig rennen door verlaten stations waar de omroeper het hoogste woord voert, waar jij geen recht van spreken hebt. Nagelbijtend in de file. Niet eenmalig, telkens weer. Een dodelijk saaie wereld, een leven van herhalingen. 
Jouw mensen, hun leven glijdt gedachteloos voorbij. Stilzwijgend dromend van andere levens. Die komen niet, dat weten ze wel. Maar de ontkenning overheerst. De wens is de vader van de gedachte. De fantasie is de stem van een opstandige tienerdochter voor wie het leven aan haar voeten ligt. Om na jaren gedesillusioneerd terug te zien op een leegte die groter is dan ik kan overzien. En mijn blikveld is wijds, groter dan jij je kunt voorstellen. 
Ik aanschouw de leegte. Talloze vragen rijzen. De antwoorden liggen klaar. De kou trekt op. Het donker roept. 

© La 

woensdag 3 februari 2010

Verdwaald

“Wacht!” 
“Wacht nou!” 
Ze trekt aan de mouw van mijn jas en blijft staan. 
“Luister!” 
Ik heb helemaal geen zin om te luisteren. Het is laat, de alcohol suist door mijn hoofd en ik wil naar bed. En wel zo snel mogelijk. Ik probeer de gedachte aan morgen weg te duwen. Het heeft geen zin me daar nu al druk om te maken. Morgen is vroeg genoeg. Te vroeg zelfs, als het aan mij ligt. 
Ik probeer door te lopen, maar ze heeft nog steeds mijn mouw vast en staat als aan de grond genageld. 
“Kom”, probeer ik, “het is niets, vast een vogel ofzo.” 
“Nee, luister nou even, sta nou stil, dan hoor je het misschien.” 
Ik blijf staan. Het is doodstil. 
“Ik hoor niets, kom, we gaan naar huis.” 
Ze kijkt me aan en knikt voorzichtig. Net als ze weer begint te lopen, klinkt in de verte een zacht gekerm. Een hond misschien? Langzaam loop ik in de richting van het geluid. Zij pakt mijn hand en knijpt er hard in. Het geluid komt even dichterbij. Het gekerm wordt afgewisseld met zachte snikken. Dan is het weer stil. 
Ik voel een lichte misselijkheid opkomen. De gedachte aan een fikse kater dringt zich op. Die kan ik er morgen nou net niet bij hebben. Waarom heb ik me ook laten verleiden vanavond nog weg te gaan? Het is gewoon weer het oude liedje. Verstandig, tot er een paar biertjes in zitten. Dan raakt de gedachte aan morgen heel ver weg. 
Het pad waarop we lopen, wordt langzaam smaller. De maan heeft zich verscholen achter een dik wolkendek. Ik zie geen hand voor mijn ogen. Dit is toch een gewoon stadspark? Waarom is het dan zo donker? Takken zwiepen tegen me aan. Onder onze voeten ritselen bladeren. 
Met mijn handen voor me uitgestrekt, probeer ik mijn weg te vinden. Een zwarte dichte massa strekt zich voor me uit. Achter me hoor ik haar ademhaling. Haar hand klampt zich vast aan mijn jas. Ze struikelt af en toe. Ga ik te snel voor haar? 
“Shit!”, roept ze. 
Ik draai me om. Het wit in haar ogen glinstert in het maanlicht dat opeens door de bomen valt. Ze heeft een kras op haar wang, waar ze met haar vinger overheen aait. Er loopt een straaltje bloed uit. Ik haal mijn hand uit mijn zak, trek mijn mouw over mijn hand en veeg het bloed weg. Het welt direct weer op. Ze hapt naar adem. 
“Wat nu? Waar zijn we? Wat is hier aan de hand?”, vraagt ze. 
“Ik hoor niks meer.” 
“Ïk ook niet, maar weet jij waar we zijn?” Ze kijkt me vragend aan. Ik weet het ook niet. Alles ziet er hetzelfde uit. 
“We moeten een pad zien te vinden, dan komen we er wel uit. Dit park ligt midden in de stad. Uitgangen genoeg lijkt me. Laten we maar doorlopen.” 
Zo goed en zo kwaad als het gaat, worstel ik me tussen de bomen door. Een stekende hoofdpijn begint zich ergens tussen mijn ogen te nestelen. Ik probeer het weg te schudden. Het zachte gekerm begeleidt ons inmiddels ook weer. Ik voel haar verstijven. 
“Laten we het maar negeren, des te eerder zijn we thuis, toch?”. Ik draai me om en probeer haar aan te kijken. Ik zie niets. Slechts haar hand voel ik nog in mijn rug. 
Wat een gedoe en dat precies vanavond. Het kon niet slechter. Ik trek haar mee door de bomen en opeens staan we voor een hek. Op de straat erachter rijdt een taxi voorbij. De lantaarnpalen branden. De huizen zijn donker. 
Ik duw haar voor me uit langs het hek. Ergens zal wel een uitgang komen. Het geluid klinkt harder en zit vlak achter ons. Dan staan we naast de uitgang. Een brede weg slingert zich het donkere park in. In de verte klinkt het gekerm. Twee glinsterende ogen springen op uit de duisternis. 
“Kom, laten we snel naar huis gaan”. Ik pak haar hand en trek haar mee naar de overkant van de straat. 
Midden in de nacht word ik wakker. Zij ligt onrustig naast me te slapen, een grote kras siert haar wang. Ze kermt een beetje en snikt zachtjes in haar slaap. Op een stoel hangt haar jas. In het maanlicht staren twee glinsterende ogen me aan. 

© La

maandag 7 september 2009

Lieve V.

Na maanden wachten ontving V. eindelijk een antwoord van zijn vriend R. Hij had het niet meer verwacht. 

Lieve V. 

Wat goed van je te horen! Ik weet dat mijn antwoord erg laat is. Mijn excuses daarvoor, mijn wereld kent geen haast. Waarom zou het ook? De tijd duurt zo lang als hij duurt, zestig minuten in een uur, en haast maken terwijl niemand daar boodschap aan heeft? Dat kun je van de meest menslievende mensen niet eens vragen. Laat staan van hen. 
Zij hebben blijkbaar iets beters te doen dan te zorgen voor burgers die op zijn minst tweederangs zijn. En geef ze eens ongelijk. Een overbodig stelletje zijn we. Je hebt er niets aan en wordt er ook niet wijzer van. 
Maar zeg eens, vanwaar die stilte bij jou? Je zou het eerder hier verwachten. Mijn omgeving lijkt daar immers alle aanleiding toe te bieden. Jouw stilte is zelfverkozen, de mijne is opgelegd. 
Ik kan je echter wel vertellen dat het hier allesbehalve stil is. Schijnbaar misschien, maar na verschillende maanden weet ik dat schijn inderdaad bedriegt. En schone schijn is misschien wel de grootste leugenaar van het hele stel. 
Het lawaai komt je hier vanuit alle kanten tegemoet. Het beton weerkaatst alles in veelvoud. Jij spreekt over een oorverdovende stilte. Ik zwijg, anderen spreken meer dan genoeg. 
De stank is overweldigend in dit grote huis. Het lijkt maar niet te wennen. Mannen ruiken naar zweet zeggen ze, en als ze roken en drinken, ruiken ze naar tabak en alcohol. Wij zijn hier allen geheelonthouders, meer dan thee, water en één kopje koffie per dag zit er niet in de komende jaren. 
Het ruikt hier naar oud en nieuw zweet, mannenzweet, doordringend en overheersend. Het gaat in je systeem zitten en beheerst je dromen. Hoe moeilijk is het dagelijks een douche te nemen en je kleren regelmatig te wassen? Moeilijker dan je denkt als je hier zit. 
Het aanpassingsvermogen van mensen is echter verbazingwekkend groot. We ruiken elkaar niet meer en onszelf al helemaal niet. Eén keer per dag krijgen we wat frisse lucht en daarna is de stank weer doordringend aanwezig. Vijf minuten maar, langer duurt het gelukkig niet. 
Het gaat me goed, naar omstandigheden. Ik moet wel even opmerken dat jij het toch beter hebt getroffen dan ik. Je verkiest eenzelfde positie, maar dan vrijwillig. Ik kan niet anders, ik ben, letterlijk, veroordeeld tot deze door testosteron beheerste vier muren. 
Wat Q. aangaat, laat hem maar dwalen, hij vindt zijn weg wel weer. Sommige dingen veranderen nu eenmaal nooit. Als je kunt, zoek hem eens op. Zijn dwalende geest kan je fascinerende verhalen vertellen. Laat je door hem meevoeren en wees alert op het wegvijlen van je eigen scherpe kantjes. Alertheid is meer waard dan de zachte donzen deken waar onwetenden zich zo graag onder neervlijen. 
Ik geloof je niet, met je harmonie. Een dergelijk leven is niets waard. Dan kun je alleen nog maar dood gaan. Geen ambities, geen wensen, dat kan toch niet? Gedraag je niet als een oude man, dat ben je niet. Harmonie is mooi, maar voor altijd? Liever niet. Ik wil dat je blijft wie je bent. Je rebelsheid en energie heb ik altijd bewonderd. Je bent authentiek en dat zijn er maar weinig. 
Ik snap heel goed dat het nu even niet anders kan. We hebben nogal wat meegemaakt, jij en ik. Jij bent er goed vanaf gekomen. Ik ook, al duurt het wel wat langer voor ik weer kan lopen waar ik wil. 
Je brief is verhelderend voor me. Het lijkt je goed te gaan, ondanks alles. Geniet van de buitenlucht en de zon als je kunt en je kunt vaak. Dat weet ik zeker. En die zere tenen. Dat gaat wel weer over, er zijn ergere dingen. Aanschouw de wereld voor mij, laat jouw ogen de mijne zijn, voor zolang dat nodig is. 

R. 

© La

donderdag 11 december 2008

Lieve R.

Een bijna pijnlijke stilte hangt hier. Stilte voor de storm? Wellicht. Er is niemand om me heen. Tussen deze muren is geen mens te bekennen. Mijn zelfverkozen stilte duurt nu al weken, net als die van jou. Soms lijkt de tijd eindeloos en maakt het me wanhopig. Soms is het prettig, een rust en kalmte die meer dan aangenaam is. 
Ik weet wat je nu denkt. In de stad is altijd lawaai. Natuurlijk, en ik hoor die permanente ruis wel die ons leven onopgemerkt invult, maar ik sluit het buiten, waarschijnlijk net als bijna iedereen. We kunnen immers niet anders. Het menselijk waarnemingsvermogen kiest graag haar eigen pad en wordt vaak geleid door gemakzucht. 
Maar, daar waar we vogels horen fluiten, merken we tegenwoordig de stilte pas echt op. Vooral als ze er mee stoppen. Dan is de stilte opeens oorverdovend. 
Mijn stilte is echter van een ander soort. Hij hangt in de lucht als een dichte mist, een wolkendek, dreigend en koesterend tegelijk. Een zelfgekozen isolement? Dat is niet eens zoveel naast de waarheid. Hoe het zo gekomen is? Dat weet je toch? 
Je vraagt me hoe het gaat. Wat zal ik daar eens op antwoorden? Gaat het ooit wel eens echt goed met ons? Geven we ooit écht antwoord op deze vraag? Ik zal je oprecht proberen te antwoorden. Met mij gaat het goed. Ik ben gezond en voel me prima. Ik zou je iets anders kunnen vertellen, bijvoorbeeld dat mijn schoenen pijn doen, omdat ik een harde aanvaring had met een deur, per ongeluk omdat de kat voor mijn voeten liep. Mijn tenen zijn blauw en daarom zijn mijn schoenen te klein, maar maakt dat dat het niet goed gaat? Nee, het is hooguit wat lastig. Ik kan je ook zeggen, het gaat slecht, die deur was hard en het doet pijn. Maar ach, als ik de schoenen niet draag, is er niets aan de hand. 
Het is allemaal zo subjectief, ook waarneming en interpretaties zijn aan keuzes onderhevig. Dat weet jij zelf ook wel. Heb je het trouwens gehoord van Q? Hij is de weg kwijt, letterlijk en figuurlijk. Zijn pad is onduidelijk geworden. Triest, zegt men. Ik weet het niet. Soms is vaagheid te verkiezen boven het scherp zien. Vaagheid betekent niet veel meer dan het bijvijlen van de scherpe kantjes, waardoor het leven wat zachter voelt. 
Hoe gaat het met jou eigenlijk? Ik was blij verrast met je brief, die geeft me de mogelijkheid zaken te verbinden. De verhalen die ik wel eens hoor, zijn divers en spreken elkaar soms volkomen tegen. Ik mis je, dat wil ik je wel graag vertellen. Je lijkt zo ver weg. Schijn bedriegt zegt men en dat weten we allebei maar al te goed. 
De stilte doet vreemde dingen met je waarneming. Het kent een dreiging die wat zwaar op mijn maag ligt, maar het houdt me tegelijk met beide benen op de grond. Dat is wel zo prettig. Wat de toekomst brengt, weten we toch niet. 
Voorlopig ben ik mezelf genoeg. De voorstelling van mijn leven en het leven dat ik heb, lijken voor het eerst volkomen in harmonie te zijn. Ik kijk de wereld in de ogen, zie mijzelf in de spiegel van mijn geest en denk, het is goed. Berusting is een fijn gegeven, het maakt je hoofd leeg en creëert ruimte voor dingen die er werkelijk toe doen. 
Welk een kalmte, lieve R. Het is waarlijk een opluchting. Ik hoop dat je hetzelfde kunt ervaren als ik, maar dat durf ik ernstig te betwijfelen. Ik zou willen dat je hier kon zijn, maar dat gaat helaas niet. Jij hebt nog een lange weg te gaan. Ik groet je vanuit mijn eigen stilte en beloof je snel weer te schrijven. 

V. 

© La 

Na maanden kreeg V. een antwoord van R.

zondag 28 september 2008

Tijd in de nacht

Opeens blijft hij staan. Hij draait zich naar me toe. Ik kijk in zijn helderblauwe ogen. Ze zijn omgeven door een tanige, bruine huid, vol rimpels. Zijn grijze haar staat alle kanten op en hij plukt zenuwachtig aan zijn korte baardje. Hij steekt zijn handen naar me uit. 
"Zie hier, mijn handen, ze hebben lief gehad. Talloze vrouwen zijn gekoesterd door wat eens mooi en jong was. De intentie is niet veranderd. De handen wel." 
Zijn armen trillen door de inspanning. Zijn handen zijn robuust, werkhanden, verweerd en vol eelt. De aderen zijn gezwollen. Zijn ogen zijn gefixeerd op mijn gezicht. Ik voel me een beetje ongemakkelijk. Wat wil hij? 
"Ze konden er geen genoeg van krijgen, die vrouwen. Deze handen lieten een vrouw sidderen, van angst en genot. Dit zijn de handen waar menig man een onplezierige kennismaking mee heeft gehad. Deze handen kunnen teder zijn en liefdevol, maar tegenwoordig weet niemand het meer." 
Ik kijk hem nog eens onderzoekend aan. Hij oogt vriendelijk. Ik heb geen idee wat er op dit moment in zijn hoofd omgaat en wat we hier doen. Hij lijkt van mij geen antwoord te verwachten. 
Hij keert zich van me af, steekt zijn handen in zijn zakken en zet er flink de pas in. Ik moet even moeite doen hem bij te houden. Het is stil op straat. We zijn alleen, slechts het getingel van een gesloten spoorwegovergang snerpt door de nacht. De trein rijdt met veel geraas voorbij. Ergens blaft een hond. 
De straatstenen zijn nat en glibberig. Ik voel de rillingen erger worden. We lopen hier nu al uren, in een druilerige regen. Hij en ik, zonder doel. Ik weet niet waarom ik hem blijf volgen. 
Hij had gepraat, een onophoudelijke stroom woorden. Zijn levenspad bestond uit schrijnende gebeurtenissen en momenten van groot geluk. Hij liep en praatte. Ik liep mee en zweeg. Ik luisterde wel en verbaasde me. Hier was een man die het leven kende, een wijs en naïef man, een goed mens, daar ben ik van overtuigd. 
Zijn verhalen leken onstuitbaar en hij praatte maar door. Voor mijn ogen schetste hij een beeld dat ik vaag kende, een wereld die me vreemd was en tegelijkertijd zo vertrouwd. 
Hij en ik, we zijn hetzelfde en toch zo verschillend. Hij is mijn vader en ik ben zijn zoon. Ik ken hem al heel lang en toch heb ik hem pas ontmoet. Ik weet veel van hem. Hij weet niets van mij. Het is mij om het even. Deze man, het is of ik in een spiegel kijk, een beeld dat ik wil zien en toch ook weer niet. 
Hij stopt opnieuw en legt zijn handen op mijn schouders. Zijn adem ruikt onfris en ik merk dat ik mijn hoofd weg wil draaien. Hij neemt mijn gezicht in zijn handen en dwingt me hem aan te kijken. 
“Tijd gaat voorbij, stil en zwijgend. Tijd die was, is verloren gegaan. Luister, er blaft een hond. Hoor je het?” 
Ik knik. 
“Kijk, het licht in de verte ben ik. Luister, de wereld is van jou, de vrouwen komen vanzelf. Laat je niet afschrikken.” 
Ik pak zijn polsen vast en duw zijn armen langs zijn zij. “Ik weet het wel, ik weet wat jij weet. Ik ken je lang genoeg.“ 
Ik duw hem voor me uit en we lopen verder, de donkere nacht in. Twee verwante zielen, dolend door het leven, dwalend door een stille, donkere stad. 

© La

vrijdag 12 september 2008

Wachten op Lily

"Ik noem haar Lily. Waarom? Ik weet het niet, die naam kwam zomaar in me op toen ik haar voor het eerst zag. Het is een beetje een vreemde naam, maar soms hebben juist die een soort aantrekkingskracht. 
Lily, de naam past haar wonderwel. Ze is gewoon een meisje. Een jaar of vijfentwintig denk ik, wellicht wat ouder. Ze heeft een leeftijd die je moeilijk kunt schatten, zeker van een afstandje. Ze is heel meisjesachtig, maar toch geen achttien meer. 
Ik denk wel dat ze mooi is, haar ogen heb ik nog nooit van dichtbij gezien, maar ze heeft lange haren, donkerblond met een gouden gloed, zo'n kleur die je eigenlijk alleen maar bij kleine kinderen ziet. Van die haren waar de zon zo mooi op kan schijnen. Kinderhaar, jonge meisjeshaar. 
Maar zij is geen kind meer. Haar gezicht is glad, maar kent al wat scherpe trekken. Ze lijkt vrolijk en blij, maar op de achtergrond zeurt er iets. Een litteken wellicht, achtergelaten door een verloren liefde of de dood van een dierbare. Misschien een jeugdtrauma. 
Ja, zij, ze is veel ouder, ze dementeert licht, denk ik. Ze vraagt steeds hetzelfde, maar ze is opgewekt. Ze heeft pijn in haar ogen. Pijn om haar man die overleden is, pijn om haar eerste die blind geboren werd. Het leven is hard voor haar geweest, maar ik kan haar blijheid voelen. Ze geniet nog met volle teugen en is dankbaar voor wat ze heeft. Ze is lief en kijkt je steeds aan met van die grote, bruine ogen. Trouwe hondenogen wil ik eigenlijk zeggen, maar dat klinkt zo oneerbiedig en dat verdient ze niet. 
Elke morgen kom ik haar tegen. Ze zit op een bankje en kijkt wat rond. Ze knikt vriendelijk naar iedereen. Meestal is ze gekleed in een donkerrood mantelpak, haar haren keurig gekapt en haar bril aan een touwtje om haar nek. In haar handtas heeft ze pepermuntjes. Elke tien minuten neemt ze er een. 
Lily is soms bij haar, heel even maar, een vluchtige schaduw. Lily, de naam past echt bij haar, weet je dat? Ze cirkelt om de oude dame heen en geeft haar een kus op het voorhoofd. De dame reageert niet. Ze lijkt het niet op te merken. 
Als ik dichterbij kom, is Lily weer weg. Af en toe blijft er een zweem hangen van een vreemd parfum, of denk ik een flits te zien van haar lichtgroene jurk. Lily, ik wil haar zo graag van dichtbij zien, een hand geven, over haar wang aaien desnoods. Sinds kort neem ik een andere route waardoor ik vlakbij het bankje de hoek om kom. Een verrassingsaanval leek me een optie. Maar Lily is altijd op tijd weg, als ze er al is. 
Gisteren was het mooi weer, ik had niets te doen en ik besloot naast de oude dame op het bankje te gaan zitten. Ze groette me vriendelijk en begon te praten, een spraakwaterval. Haar hoofd licht gebogen. Haar grote bruine ogen turend over haar brillenglazen. Af en toe legde ze een hand op mijn arm, als om haar betoog kracht bij te zetten. 
Ik kon het eerst niet opbrengen om te luisteren. Ik wachtte op Lily. Ze kwam niet. We waren alleen, de oude dame en ik. Het vuur schoot in haar ogen bij het verhaal over haar geliefde kinderen, een trotse moeder, trots vooral op die eerste die nooit heeft kunnen zien. Treurig ook, daarom. Een gevoel van onrecht in de kiem gesmoord, net op tijd. De verhalen van vroeger, de jonge vrouw, de tomeloze ambitie toen de kinderen ouder werden en de onmacht, ingegeven door andere tijden. 
Ze pakte me in, in haar ogen en houding zag ik een trotse jonge vrouw met donkerblond haar met een gouden gloed. De zon scheen. Ik vroeg haar naam. 'Mevrouw de Wit, maar je mag wel Lily zeggen', zei ze." 

© La

woensdag 3 september 2008

Liesje

“Rotwijven. Aanstellers. Meer kan ik er niet van maken.” Terwijl hij zijn vriend aankijkt, haalt hij zijn hand door de warrige pieken op zijn hoofd. Hij moet moeite doen zijn tranen te bedwingen. Echte mannen huilen niet, zo heeft hij vroeger thuis geleerd. Hij slikt de tranen weg en legt zijn kin in zijn handen. De lachende ogen van Lucas kijken hem vanaf de andere kant van de tafel aan. 
“Wat valt er te lachen?” 
“Je hebt je gewoon op laten naaien door ze. Ik heb je toch gewaarschuwd dat je uit moet kijken? Het zijn van die bitches die denken dat de wereld om hen draait. Ze winden je om hun vinger en zogauw je hapt, ben je niet leuk meer. Je weet toch ook wel dat dit bij die meiden aan de lopende band gebeurt? Dacht je dat het bij jou anders zou gaan?” 
“Ik weet niet. Ze is zo lief. Ik dacht dat ze echt verliefd op me was. Dat kan toch?” 
“Je weet toch nog wel hoe het met Anton en die meid ging?” 
“Ik ben Anton niet en zij is die meid niet. Zij is anders. Ik weet het zeker.” 
Hij slikt nog eens. Ze spookt al weken door zijn hoofd en loopt in zijn dromen rond. Wanneer hij haar denkt te zien, slaat zijn hart een slag over. Zou hij dan echt verliefd zijn? Hij had het zichzelf al meerdere keren afgevraagd. 
Hij weet niet zo goed wat hij met haar aan moet. Als ze alleen is, dan kijken haar ogen hem warm aan en legt ze een hand op zijn arm. Als ze met haar vriendinnen is, dan draait ze haar hoofd weg. “Schaam je je voor me?“, had hij haar gevraagd. 
Ze had driftig nee geschud, terwijl haar lange donkere krullen om haar hoofd sloegen. Lies heet ze, Liesje noemde hij haar in gedachten. Liesje, Liesje, Liesje, zij was het enige waar hij de laatste tijd aan kon denken. Hij schreef liedjes voor haar en probeerde ze op zijn gitaar te spelen. Lucas had bedenkelijk gekeken toen hij hem betrapte en had hem gewaarschuwd. 
Liesje, Liesje, Liesje, hij kon het niet geloven als hij haar zag met die andere meiden, die altijd maar denken dat ze leuk zijn, altijd maar schreeuwen en ruzie maken. Het verbaasde hem Liesje steeds bij ze te zien. Ze leek zo kalm en evenwichtig, verstandig zou je bijna zeggen, of volwassen, maar toch had hij haar ook al een paar keer betrapt op aanstellerig gedrag. Hij was dan maar gauw weggegaan of had de andere kant opgekeken. Hij kon niet geloven dat ze een meeloper was. 
“Wat is er gebeurd dan?“ 
Lucas' stem brengt hem opeens weer terug in de keuken, aan de tafel van hun gezamenlijke woning. Het is koud voor de tijd van het jaar en het wordt al vroeg donker. Hij staat op en doet het licht aan. 
“Joost, hallo! Ben je er nog?“ 
“Ja, ik weet het niet. We gingen samen uit, Liesje en ik en kwamen haar vriendinnen tegen. Rotwijven. Lies ook.” 
“Waarom dan?“ 
“Ze draaide om als een blad aan een boom. Ik wilde alleen met haar zijn, maar zij wilde bij die meiden blijven. Ze lachten me uit, vierkant in mijn gezicht. Ik moest me niet aanstellen en hoe kon ik denken dat ze alleen met me wilde zijn.” 
Lucas lacht kort en zegt: “Die lieve Liesje van jou moet stoer blijven en durft niet tegen haar vriendinnen. Die meiden denken maar dat ze alles zijn. Ik zie het niet, maar die mannen trappen er allemaal in.” 
“Ik geloof het nog steeds niet.” 
“Je komt er wel achter, net als gisteren, geloof me nou maar.” 
Joost haalt zijn handen nog eens door zijn haar en kijkt naar buiten. Beneden klinkt de deurbel. Hij reageert niet. Lucas staat op om open te doen. Als de deur van de keuken opengaat, staat ze voor zijn neus, zijn Liesje. 
“Lieve Joost, sorry van gisteren...”, zegt ze zachtjes. 
Hij kijkt haar aan. Haar bruine ogen glanzen van de tranen. Langzaam loopt ze naar hem toe. 
“Wat kom je hier doen?" 
“Het spijt me zo, zij...” Ze begint te huilen. 
"Wat is er met ze?" 
"Ik kan er niets aan doen. Ze zijn leuk, ze zijn lief voor me, het zijn gewoon mijn vriendinnen. Maar ik ben verliefd op jou." 
"Waarom vertel je ze dat dan niet gewoon?" 
"Zij vinden verliefd zijn zonde. Het is héél moeilijk om als meisje bij hen in de buurt te komen. Als je er eenmaal bijhoort, dan ben je gek dat je weer bij ze weggaat. Ik moet kiezen." 
"Wat heb je gekozen dan?" 
"Hun, het spijt me zo, maar ik kan het niet alleen. Ik heb ze nodig, echt. Ik ben niets zonder hun." 
Ze draait zich om en loopt de deur uit. Hij hoort haar de trap afrennen. Joost zakt neer op een stoel, hij veegt de opkomende tranen driftig weg. Plotseling staat hij op en rent de trap af, naar buiten, achter haar aan. In de verte ziet hij haar hollen, haar haren dansen wild om haar hoofd. “Lies, Liesje! Wacht even!” 
Hijgend haalt hij haar in en pakt haar bij haar arm. Haar betraande gezicht kijkt naar hem op. Ze gooit zich in zijn armen en klemt zich aan zijn jas vast. Ze trilt. 
Hij tilt haar gezicht op en veegt voorzichtig de tranen weg. Ze kijkt hem angstig aan. Zachtjes drukt hij een kus op haar voorhoofd. Over haar schouder heen ziet hij Lucas in de verte meewarig zijn hoofd schudden. Nauwelijks merkbaar haalt hij zijn schouders op. 

© La 

woensdag 25 juni 2008

Reis naar het heden

Ze lopen hand in hand over het gras. Twee jongetjes, vrienden voor het leven. De ene is veel kleiner. Hij moet soms een tussensprongetje maken om de ander bij te kunnen houden. Ze hebben blote benen en armen. De zon schijnt, de lucht is blauw en de bloemen geuren. Af en toe wuiven ze de vliegen weg die om hun hoofd dansen. 

Ze hebben haast. Recht voor ze ligt een lange weg die verder reikt dan ze kunnen zien. Het grote jongetje gaat steeds harder lopen. Ongeduldig trekt hij zijn vriendje voort. Het kleine jongetje hijgt. Hij heeft het warm en het zweet loopt in kleine straaltjes van zijn voorhoofd. Met een vuile hand veegt hij het weg. 

Opeens staan ze stil. De grote jongen draait zich om. Zijn gezicht is grauw, zijn ogen bloeddoorlopen. Hij huilt geluidloos. Het kleine jongetje trekt aan zijn arm en ze gaan weer verder. Ze hebben nog een lange tocht voor de boeg voor het donker wordt en het licht verschijnt. De zon staat recht boven hun hoofd en het wordt steeds warmer. Er zijn geen wolken te bekennen. Vogels zoeken hun weg door de lucht. Insecten zoemen. Er waait een warme wind. De jongens lopen verbeten door. Er hangt een gouden gloed om hun blonde hoofden. 

Een ongekende melancholie overvalt me. Ik ken het pad dat zij bewandelen. Ik herinner me het worstelen met de warmte, met de vliegen die om mijn hoofd cirkelden en met het steeds hoger wordende gras. Niet zo lang geleden liep ik hier ook. Met een vriendje, dat groter was, veel groter. Hij sleepte me mee over de steeds moeilijker begaanbare paden. Het gras kriebelde in mijn nek. Het onkruid maakte krassen op mijn huid. De vliegen kropen in mijn kleren en deden zich te goed aan mijn bloed. 

De grond werd steeds drassiger. Mijn voeten werden vast gezogen in het slijk. De takken van de bomen leken steeds lager te komen. Ze zwiepten in mijn gezicht. We moesten bukken om door te kunnen lopen. Ik was wanhopig. Ik was bang dat we er nooit meer uit zouden komen. De onherbergzaamheid van het terrein leek ongeremd. De zon werd verduisterd door een dik bladerendak. Mijn hart klopte in mijn keel en angst en spanning wisselden elkaar af. Ik was nieuwsgierig. Het donkere bos moest immers een einde kennen. Ik zag de hoge zwarte bomen naderen. Mijn voeten deden pijn. Ik verloor alle moed. Ik was eruit gekomen, anders liep ik hier niet. 

De jongens hebben nog een lange weg te gaan en moeten voort maken. Het kleine jongetje struikelt en grijpt zijn vriendje vast. Hij pakt hem bij zijn armen en schudt hem door elkaar. Ik duik even weg. Ik wil niet dat ze me zien. Deze tocht moeten ze zelf maken. Het kleine jongetje huilt hardop. Hij wil niet meer. Een terugweg is er echter niet. Ze moeten voort. Ik weet wat er door ze heen gaat en hoe moeilijk het is. 

De zon staat laag aan de hemel. Door de takken en bladeren schemert een rode gloed. De jongens kruipen dichter tegen elkaar aan. Het water staat tot hun knieën. Ze worstelen zich een weg door de losse takken en ander afval. Ik voel pijn in mijn hart en in mijn voeten als ik aan hen denk. De herinneringen maken me angstig en opgetogen tegelijkertijd. Ik weet wat ze te wachten staat. Ik weet ook dat ze eruit komen. Net zoals ik eruit kwam. 

Het is aardedonker. Ze schuifelen voorzichtig verder. Hun ademhaling is gejaagd. Vreemde geluiden klinken. Een hond huilt. Een ander dier krijst door de stille nacht. Het water stroomt langs hun benen. Ze lopen nog steeds hand in hand. Met hun andere hand tasten ze om zich heen. Hun oren gespitst. Hun ogen wijd open. Een enkele ster glinstert door de bomen als ze omhoog kijken. 

Langzaam wijken de bomen uiteen. Hun ademhaling ontspant. De aarde is droog en het gras is kort. Een uitgestrekte vlakte ligt voor hen. In de verte brandt een fel licht. Het doet pijn aan hun ogen. Ze beginnen te rennen. Het kleine jongetje wordt meegesleurd en kan het bijna niet bijhouden. Uitgeput en buiten adem vallen ze neer bij het oogverblindende licht. Voorzichtig openen ze hun ogen. Twee vuile jongensgezichten kijken hen aan. 

Verbaasd kijken ze naar elkaar en naar zichzelf. Ik lach om hun verbazing en herinner me hoe het was. 

© La

zondag 22 juni 2008

De blauwe klaproos

Hij doet een stap achteruit. Met zijn hoofd een beetje schuin tuurt hij door zijn wimpers naar zijn werk. Hij zucht, gooit zijn kwasten neer en loopt naar de radio. Zachte klanken vullen de kamer. De zon glipt tussen een kiertje van de gordijnen door. 
Hij zakt neer in een leunstoel die hem uitzicht biedt op zijn werk. Van een afstand ziet het er goed uit. Een indringende blik staart hem aan, een blik die hem door de hele ruimte achtervolgt, zoals altijd. Ze is prachtig, in de donkerblauwe fluwelen jurk met haar donkere haar in lange strengen over haar schouder. Het fluweel nodigt uit tot aaien. Haar huid is blank. 
Van dichtbij ziet hij echter dat het weer niet gelukt is. Hij heeft haar al zo vaak geschilderd en loopt steeds tegen hetzelfde probleem aan. De bloemen, het lukt gewoon niet. Hij kan alles schilderen, alleen die rozen. Wat hij ook doet, ze worden altijd té rood, te vurig naar zijn smaak. 
Hij leerde haar kennen toen hij jong was. Als model kwam ze op de academie, in die blauwe fluwelen jurk. Met blote schouders en haar donkere haar was zij de vrouw die hij slechts uit dromen kende. Achter haar stond een bos donkerrode rozen. 
Hij had haar geschilderd. De docent had hem gecomplimenteerd. Hij vond het zelf echter niet geslaagd. Hij zag een prachtige kleurencombinatie voor zich, de diep donkerrode rozen, het blauwe fluweel, haar roomkleurige huid en de lange donkere haren. Het was een beeld dat hem raakte. Als hij naar zijn schilderij keek, miste hij iets. 
Het had hem nooit meer losgelaten. Inmiddels heeft hij haar ontelbare malen geschilderd, op kleine en grote doeken, met olieverf, met aquarelverf, met krijt. Zijn atelier staat vol doeken van haar. Telkens hetzelfde beeld, met elke keer weer die ogen en die mislukte bloemen. 
Hij staat op, pakt een kwast en mengt rode verf. De kleur is zoals hij zich herinnert. Hij loopt naar het doek en schildert de rozen opnieuw. Het lijkt heel erg goed, maar toch mist hij weer de juiste tonen. 
Roses are red my love, violets are blue. Sugar is sweet, my love. But not as sweet as you”, zingt een vrouwenstem, terwijl de deur opengaat. Haar ogen kijken hem lachend aan. Een paar extra ogen, dezelfde die de ruimte vullen. Deze ogen stralen echter warmte en liefde uit. Er tekenen zich wat kleine rimpeltjes rondom haar ooghoeken af. Haar donkere haar is nog net zo mooi als vroeger. 
Ze gooit haar jas op de leunstoel, loopt naar hem toe en slaat haar armen van achter om hem heen. Haar hoofd rust tussen zijn schouderbladen. Hij voelt de warmte van haar lichaam tegen zijn rug. 
“Lukt het weer niet, schat?”, mompelt ze zachtjes, met haar gezicht in zijn trui. 
“Nee, die rotbloemen. Ik krijg de kleur wéér niet goed.” 
“Houd er dan ook mee op, lief, wat maakt het uit. Schilder eens iets anders dan die bloemen.” 
“Nee, ik wil dat het lukt. Het moet.” 
“Doe dan die zogenaamd mislukte schilderijen weg. Ik vind het niet leuk hier. Al die ogen die je aanstaren.” 
Ze wrijft haar wang over zijn rug en aait zijn borst. Hij gooit zijn kwast neer, draait zich om en pakt haar bij haar polsen. “Laat me nou maar. Ik schilder genoeg andere dingen. Eens wil ik deze goed krijgen. Jij, zoals je vroeger was en die bloemen horen daarbij.” 
Ze gaat met opgetrokken benen zitten in de stoel en kijkt zwijgend toe hoe hij driftig verder schildert. Zachtjes neuriet ze mee met de radio. Hij zit op zijn knieën voor het meer dan menshoge schilderij. 
De blik in de ogen hindert haar. Ze staat op en slaat de deur hard achter zich dicht. Hij haalt zijn schouders op en kijkt naar zijn schilderij. Zijn droombeeld staart hem aan. Hij laat zijn blik naar beneden glijden en haalt geërgerd zijn schouders op als hij de rozen ziet. Hij zet de radio hard en loopt naar het kleine keukentje om zijn materiaal schoon te maken. 
Wanneer hij terugkeert, staat een bos donkerrode rozen in een vaas vóór het schilderij, precies voor de geschilderde rozen. Zijn hart wordt getroffen door het beeld dat hij ziet. Dit is precies waar hij al jaren naar zoekt en wat hem steeds niet lukt. In de stoel zit zij, in de blauwe fluwelen jurk, met haar haar over haar schouder. Ze lacht naar hem en staat op. Ze slaat haar armen om zijn nek en kust hem. Hij tilt haar op en gaat samen met haar in de stoel zitten. Opeens heeft ze een blauwe klaproos in haar handen en schuift hem achter haar oor. 
“De winkel was nog open. Ze hebben kunstbloemen in echt alle kleuren. Deze is ook wel leuk, toch?” 
Hij pakt de blauwe klaproos en staat op. Met wat lijm plakt hij de bloem op het schilderij, achter haar oor. Proestend van het lachen staan ze op, trekken hun jas aan en lopen naar buiten. Hij pakt zijn fiets. Zij tilt de jurk hoog op en springt achterop. Haar lange benen, gestoken in een spijkerbroek, bungelen aan weerszijden van zijn fiets. Een lapje donkerblauw fluweel is nog net zichtbaar. 

© La 

vrijdag 13 juni 2008

Het lied van zijn leven

Hij kijkt om zich heen. In de wijde omtrek is niemand te zien. De lucht is grijs en de wereld ligt uitgeput en zwartgeblakerd aan zijn voeten. Hier en daar kringelt rook op uit dikke lagen as. Alle kleur is verdwenen, vervangen door een zwarte wereld van verval, een chaos waarin grauwheid de boventoon voert. 

Hij kijkt naar zijn handen. Ze zijn bedekt door grijs stof. De mouwen van zijn jas worden gesierd door zwarte vegen en roetdeeltjes. Stof prikt in zijn ogen. Zijn lippen zijn droog. Hij zit op een hoge stapel verbrande resten, te kijken naar de puinhopen van zijn leven. De gammele ijzeren stoel wankelt als hij beweegt en dreigt hem naar beneden te sleuren, in een diepte die onvermijdelijk zal leiden tot het einde. Er gaat een rilling door hem heen. Is dit het einde? Is alle hoop vervlogen? 

In zijn armen koestert hij zijn grote liefde, zij, aan wie hij zijn ziel gegeven heeft, zij die zijn leven bepaalt. Hij kijkt haar aan en blaast voorzichtig as en roet weg. Voor haar wil hij door het vuur gaan, haar lot ligt in zijn handen, zij is alles wat hij heeft. Hij klemt haar in zijn armen en kijkt naar de chaos. In gedachten hoort hij haar stem. Als hij zijn ogen sluit, ziet hij de rozen weer bloeien. Ze banen zich een weg door de grijze massa, kleine groene blaadjes springen op en slingeren over de kale grond. Aan ranke takken ontspringen talloze bloemen. 

Hij zou zo graag nog één keer in zijn leven een wereld in kleur zien, nog één keer zijn geliefde horen zingen. Met een vertederde blik kijkt hij naar haar. Ze ligt levenloos in zijn armen. Er lijkt wat bruin te schemeren achter het grijze stof, of vergist hij zich? Hij aait haar zacht met zijn wijsvinger. Zijn hart springt op. Hij hoort het wel. Ze is er nog, het leven is niet volledig weggevloeid. Haar stem is zwak, maar onmiskenbaar. 

Het vale licht verdwijnt langzaam. De wind steekt op. Dikke wolken pakken zich boven zijn hoofd samen. De hemel lijkt hem met een angstaanjagend wolkendek te willen toedekken. Hij kan de donkergrijze wolken met de zwarte koppen bijna aanraken. Hij duikt in elkaar, beschermt haar met zijn lichaam. Haar stem klinkt heel zacht als hij haar aanraakt. Hij is bereid tot het uiterste te vechten, voor haar wil hij zijn leven geven. Zonder haar is er niets meer. 

Grote verlossende regendruppels vallen uit de hemel, regen die koelte brengt en het leven weer op laat vlammen. De aarde sist. Hij voelt de hitte op zijn gezicht. Hij staat voorzichtig op. Met zijn hoofd in zijn nek en met open mond vangt hij de regendruppels op. Hij likt het stof van zijn lippen en proeft het leven. Zijn hart klopt in zijn keel en hij springt op. Hij wankelt en valt enkele meters naar beneden. 

Zijn jas en broek blijven haken aan verbrande resten en scheuren. Zijn hand bloedt. Hij schrikt van de rode kleur. Druppels bloed vallen op haar die hij lief heeft. Hij veegt het weg. Weer hoort hij haar stem. Hij gaat zitten en tilt haar op. Ze buigt enigszins mee. Hij kust haar als wil hij haar leven in blazen. Met zijn vingers beroert hij zacht haar flanken. Onder zijn handen komt ze tot leven, zachtjes vloeien de klanken door het stille land. 

Het regent nog steeds, maar boven zijn hoofd breekt de lucht open en verschijnt een gloeiende zon. De wind neemt af. Overal schieten groene stelen de grond uit. Bloemen kringelen zich om zijn voeten. Hij gaat rechtop zitten en plaatst haar tussen zijn knieën. Ze is als was in zijn handen en buigt gewillig met zijn wensen mee. Zijn armen en benen trillen als hij haar aanraakt. Hoge klanken vinden een weg door het land, bloemen en takken reiken naar de hemel. Hij speelt het lied van de eeuwige liefde. Het lied van zijn leven. Het lied van de hoop. Een warme gloed stroomt door zijn lichaam. Een glimlach krult zijn mondhoeken. 

© La

zondag 8 juni 2008

De viool

Door het openstaande raam waaien de klanken van een viool naar binnen. Ze klinken ijl op en worden weerkaatst door de hoge gevels van de huizen. Even weet ik niet waar ik ben. Het bed is hard en smal en het kussen is veel te dik. Mijn nek doet pijn, mijn hoofd bonkt en mijn mond is droog. 
Ik tast naast me, maar daar is niets. Ook aan de andere kant niet. Ik lig in een leegte, in een donkere kamer. Ik staar naar waar het plafond zou moeten zijn en voel tranen opwellen. De viool zingt zich een weg naar mijn hart en raakt zachtjes mijn ziel aan. 
Een nare, bedompte lucht dringt mijn neus binnen en mijn herinnering komt terug. De urenlange vliegreis, het eindeloze wachten, het wezenloze gevoel waarmee ik naar de klok op het vliegveld keek die tergend langzaam vooruit ging. 
Toen ik niet meer wist welke dag het was, stond ik opeens buiten, op een vliegveld in een warme stad. De taxi had me vlakbij het pand afgezet waar ik via internet een kamertje gehuurd had. De chauffeur wuifde nonchalant naar een smal steegje, waar hij niet in kon rijden. 
Een norse en slaperige man deed de deur open en was me voor gegaan de eindeloos lange trappen op. Mijn rugzak woog als lood en paste nauwelijks door het smalle trapgat. Uiteindelijk waren we boven gekomen. De man zwaaide een krakende deur open. Zachtjes zei hij: “Voila, madame”. 
Hij drukte een sleutel in mijn handen, draaide zich om en stommelde de trap weer af. Ik had me op het bed in het piepkleine kamertje laten zakken en was waarschijnlijk direct in een diepe slaap gevallen. 
Een vrouwenstem klinkt op. In een vreemde taal valt ze de viool bij. Soms neuriet ze zachtjes. Haar donkere melancholische stem komt via de gevel mijn kamer binnenwaaien. Er begint een kerkklok te luiden ergens in de verte. Even abrupt als het begon, stopt het ook weer. 
Ik zwaai mijn benen over de rand van het bed en kom overeind. De vloer voelt prettig en stevig aan. Mijn hoofd duizelt en mijn armen en benen zijn zwaar als ik naar het raam wankel. Ik moet me vasthouden aan de muur. 
Als ik mijn hoofd uit het raam steek, klinkt een luide stem op. “Bon soir, mademoiselle!” Een kus in de lucht volgt. Buiten is het een drukte van belang. Het straatje is zo smal dat ik de overburen aan tafel kan zien zitten. Tussen de huizen door zijn in de verte een grote kerk en hoge gebouwen zichtbaar. 
Ik heb geen idee hoe laat het is, maar het moet ver in de middag zijn. Nu het gordijn open is, neem ik het kamertje in me op. Het is klein en meer dan een kast, een bed en een tafel met een gammele stoel staan er niet in. Toch ziet het er lief uit. Ik houd het hier wel een tijdje uit. Thuis is opeens vlakbij, realiseer ik me. Dit is Europa. 
Ik voel me slap, maar dat is de honger waarschijnlijk en de jetlag. Ik zal de deur uit moeten om eten te halen. Buiten valt een klamme warmte op me. De huizen zuchten onder de hitte van een grote stad in hartje zomer. Het steegje is vies en donker. Overal staan vuilcontainers en de lucht van rottend eten en vocht domineert. Om de hoek is het het totaal anders. Een levendig beeld ontvouwt zich, mensen dwalen door de straatjes, zitten in de schaduw van een grote boom op een terrasje iets te drinken, kinderen spelen in hoekjes en op het plein flaneren jonge geliefden. De viool klinkt nog steeds en lijkt alleen voor mij te spelen. Hij voert me mee naar de oude wereld en begeleidt me naar het heden. 
Met een broodje in mijn hand ga ik op het plein zitten en laat de stad aan me voorbij trekken. Morgen moet er alweer gewerkt worden. Deze dag, althans wat er van over is, is voor mij. Voorzichtig dringt de werkelijkheid binnen. Problemen genoeg om op te lossen. Ik ben hier niet voor niets naar toe gestuurd en zij…Als ik aan haar denk, dan zinkt de moed al in mijn schoenen. Twee maanden met haar, de verwende, rijke Amerikaanse met haar enorme scala aan complexen, met haar slechte stem en haar frustraties. Ik schud haar van me af, morgen is vroeg genoeg. 
Ik adem de oude Europese wereld met volle teugen in. De prachtige oude gebouwen, de mensen die hier zoveel kleiner en tengerder zijn en hun opgewonden geratel, hun passie en hun vloeiende taalgebruik. 
Als ik het straatje weer inloop en naar boven kijk, zie ik het gordijn zachtjes heen en weer waaien uit het raam van mijn kamer. De violist heeft zich op de grond laten zakken. Hij knipoogt naar me. Hij zit voor de ingang van de voordeur van mijn pension. Hij staat op, pakt mijn hand en drukt er een kus op. Als ik de trap oploop, hoor ik de viool weer zingen. Het lied van de oude wereld klinkt. 

© La

zondag 1 juni 2008

Twee vrouwen

Ze zitten zwijgend in twee grote leunstoelen naast elkaar in de tuin, zoals ze bijna elke dag doen. Wanneer het wat kouder wordt, legt zij zorgzaam een deken over de benen van haar vriendin. Als het regent, zitten ze in de serre. Haar vriendin slaapt en zij kijkt naar de regendruppels die hun weg zoeken over het raam en naar de troosteloze natte tuin. Ze verlangt naar de warme zon die haar oude botten koestert. 
De tuin is groot en staat in de zomer vol wilde bloemen. Vroeger noemden ze dat onkruid, maar sinds hun mobiliteit steeds meer afneemt, hebben ze een paar jaar geleden gezamenlijk besloten de tuin maar te laten voor wat hij is. Eén keer per jaar, meestal in de herfst, komt een jongen uit de buurt de dode bladeren en andere rommel weghalen. In de winter zitten ze meestal binnen bij de kachel, zelfs in het zuiden kan het flink koud zijn. 
Al bijna zo lang ze zich kan herinneren, woont ze in Frankrijk, samen met haar vriendin, in een klein dorpje in het midden van het land. Ze leerden elkaar kennen toen ze een jaar of dertig waren en allebei alleen kwamen te staan met de zorg voor een paar jonge kinderen. Er ontstond een diepe vriendschap. Ze deelden dromen, verlangens en wensen voor de toekomst. Ze deelden een wanhopige zoektocht naar een geliefde om oud mee te worden. Ze deelden vrienden en vriendinnen, huizen, ambities en kleding en genoten van tijd tot tijd van elkaars lichaam. 
Hun vriendschap was voor altijd en zou duren tot in de lengte der dagen. Die conclusie hadden ze getrokken toen ze elkaar een half jaar kenden. Ze voelden dat ze zielsverwanten waren en spraken af dat deze vriendschap nooit meer voorbij kon gaan. 
Nu zijn ze oud en kijken de dood in de ogen. Hun gezondheid gaat zienderogen achteruit. Ze lopen beiden moeilijk en de geest van haar vriendin dwaalt rond in het verleden. 
Er trekt een lichte huivering over haar rug. De laatste tijd heeft ze het steeds koud en haar knieën knikken als ze op wil staan. Haar vriendin is naast haar in slaap gedommeld. Ze kijkt even naar haar en ziet een glimp van de vrouw die ze vroeger was, een drukke, enthousiaste persoonlijkheid, verlegen en verongelijkt, toen al, dat het leven niet gaf wat ze hoopte. Zelf was ze net in de steek gelaten door haar man en ze kon het niet verkroppen dat hij haar afwees. Het voelde als gezichtsverlies en ze kon het zich niet voorstellen dat iemand haar niet meer wilde. 
Ze zag zoveel overeenkomsten met die andere jonge vrouw, ze waren eenzaam en het klikte direct. Ze trokken samen op tegen de buitenwereld, tegen hen die anders waren dan zij, tegen hen die niet wilden zien hoe waardevol zij waren. 
In het begin was het leuk. Ze voelden zich de koning te rijk en ze zouden het gaan maken. Het grote geluk zou komen, ze zouden zwemmen in luxe, beroemd worden en de man van hun leven vinden. Ze waren er van overtuigd dat dat ging gebeuren en alles en iedereen moest ervoor wijken. 
Langzaam, naarmate de jaren vorderden, waren ze somber geworden. Ze ziet het nu wel een beetje. Ze hadden heel wat mensen tegen de haren in gestreken. Ze hadden vele vijanden gemaakt, ze waren als een stoomwals over iedereen heen gelopen. Hun arrogantie, ze glimlacht even als ze eraan denkt, kwam voort uit jaloezie en onzekerheid. Ze waren teveel met zichzelf ingenomen, al vindt ze, diep in haar hart, nog steeds dat ze bijzonder zijn en kwaliteiten bezitten die niet veel mensen hebben. 
De beroemdheid en het grote geld waren echter nooit gekomen. Het huis waar ze al die tijd al wonen, is een bouwval en staat op het punt in te storten. Geld is er niet en elk dubbeltje moet omgedraaid worden om ten minste eten te kunnen kopen. Een geliefde hadden ze beiden nooit gevonden. Vrienden keerden zich van hun af, de kinderen groeiden op en gingen hun eigen weg. Ze zagen ze nooit meer. 
De lucht betrekt en ze staat moeizaam op om haar vriendin te wekken. Het gaat zo regenen en ze kunnen beter naar binnen gaan. Haar vriendin kijkt haar verward aan met een verbeten blik in haar ogen. 
“Wat is er, lieverd?”, vraagt ze. 
“Komt hij nog eens? We moeten iets doen, de mensen, ik wil een man. Ik wil iedereen. Voor mij, alleen voor mij. Ze moeten hier komen. Ik ben mooi.” 
Ze wordt bij haar arm gegrepen. Een oude hand wordt als een klauw om haar onderarm geslagen. De greep is nog stevig. Ze maakt wat susgeluidjes en trekt haar vriendin omhoog uit haar stoel. Gebogen en moeizaam wankelen ze naar de deur. 
Ze weet het, eindelijk na zoveel jaren. Het einde is nabij, de lichamelijke schoonheid verloren, de dromen in rook opgegaan en illusies vervlogen in de ijle wind. Ze hebben slechts elkaar nog. 

© La 

zondag 25 mei 2008

Hitte

Het is stil, doodstil. Heel soms klinkt de roep van een krekel, ergens ver van hier. De bergen weerkaatsen alle geluiden tot in het oneindige. De hitte is bijna tastbaar, de zon brandt genadeloos aan een strakblauwe hemel en teistert alles wat in zijn blikveld komt. Bomen en struiken zuchten onder de droogte. 
Het is hier nu nog groen, maar binnen enkele maanden zal alles verdrogen tot een dor landschap dat pas weer kleur krijgt wanneer de regen komt. Een zwoele geur van exotische bloemen hangt in de lucht. Een lichte verrotting is al merkbaar, als een overrijpe vrucht geeft de natuur haar geuren opdringerig aan de omgeving af. 
De atmosfeer is sensueel en de geuren prikkelen mijn zinnen. Een lichte spanning maakt zich van me meester. Ik laat me in het hoge gras zakken. Het prikt een beetje. De lucht van de bloemen is doordringend. Het bijt in mijn ogen en kriebelt in mijn neus. 
Ik haal diep adem. Ik moet er toch een keer aan wennen, aan dit land en het klimaat, de explosieve grillige natuur en de verleidingen die ze met zich meebrengt. De mensen hier hebben er geen last van, of leggen zich erbij neer. 
In grote zwermen dwarrelen kleine vliegjes op wanneer ik ga liggen. Niemand kan me hier zien. Ik ben alleen. In de wijde omtrek is geen mens te bekennen. Al kan dat elk moment veranderen. Elke dag vervoert een lijnbus mensen naar de andere kant van het eiland. De weg is vlakbij. Twee keer per dag komt de bus en niemand weet wanneer. De grillen van de natuur hinderen het verkeer in sterke mate en de bus vertrekt pas wanneer de chauffeur gearriveerd is. Hoe laat hij aankomt, is elke dag opnieuw een verrassing. 
Ik woon in een klein huisje hoger op de berg, net voorbij het hoogste punt, en verder gelegen van de weg. Als je niet weet waar het is, vind je het niet. Ik leef samen met een oudere dame en haar vijf jaar oude kleindochter. Het huis ligt aan de rand van een dorpje, een hechte gemeenschap waar iedereen elkaar kent en waar buitenstaanders niet welkom zijn. 
De oude dame is lief en kookt heerlijk. Met handen en voeten praten we met elkaar. Haar stralende glimlach is veelzeggend, net als haar hand die mijn wang aait wanneer ze me niet begrijpt. 
Het kleine meisje biedt me veiligheid. Ik ben van haar en zij is mijn vriendinnetje. Mijn steile blonde haar fascineert haar, net als mijn lichtblauwe ogen. Ze noemt me zonlicht in haar eigen taal, of vrouw van de zon. 
Ze is een blij en sprankelend meisje, mijn beschermster. Ze mist haar vader die in het buitenland werkt, haar moeder leeft niet meer en ze woont bij oma. Ze is nu naar school en ik haal haar straks weer op. Dan lopen we hand in hand naar huis. 
De mensen weten dat ik van haar ben en groeten me vriendelijk. Of eigenlijk ben ik van haar hele familie. Zonder haar zou ik belaagd worden door mensen die iets van me willen, die mij willen hebben. Zij geeft me de vrijheid hier te zijn en mijn leven te leiden. 
Nu ik hier een aantal maanden ben, begin ik van het land en de mensen te houden. Ze bedoelen het niet slecht, al zou je op het eerste gezicht geneigd zijn anders te denken. Leven is hier overleven. 
In de verte klinkt het naderen van de bus. De bergen leiden het geluid dat vreemde wegen volgt. Voorzichtig sta ik op, rustig vanwege de duizelingen. Een zonnesteek heb je hier zo te pakken. Grote zwarte pluimen naderen, de bus rijdt hier altijd langzaam vanwege de zachte berm en het diepe ravijn. 
Het gevaarte rammelt voorbij. Muziek klinkt op, afgewisseld met de zware en soms haperende geluiden van de motor. De bus is afgeladen, op het dak liggen tassen en koffers hoog opgestapeld, talloze gezichten zijn te zien achter de ramen. Sommigen zwaaien. Twee donkere ogen staren me indringend aan. Mijn hart maakt even een sprongetje. 
Wanneer de bus voorbij is, klim ik met moeite via het kleine uitgesleten voetpad de berg op. Takken zwiepen in mijn gezicht en mijn haar blijft hangen aan enorme rozenstruiken met grote doorns. Hijgend kom ik boven. Mijn kleine beschermvrouw staat al op me te wachten. Haar grote donkerbruine ogen kijken me lachend aan, haar gezichtje omlijst door talloze kleine vlechtjes. 
“Ben je er al lang, lieverd?”. Ik probeer haar taal uit te spreken zoals het hoort. 
Ze schudt haar hoofd. “Gaan we naar huis, zonlicht? Je hele gezicht is rood.” 
“Ja, kom dan gaan we verder.” 
Samen klimmen we naar beneden, naar het huis dat iets lager gelegen is. Wat zij niet weet, en ik wel, is dat haar vader er is. Als we het huis kunnen zien, hoor ik haar adem stokken. Ze kijkt me aan en ik knik. Ze rent het laatste stukje naar beneden en springt in de armen van haar vader. Ik loop achter haar aan. Hij vangt haar op en zwiert haar in de rondte. Ze slaat haar armen om zijn nek en haar benen om zijn middel. Ik loop op ze af, zijn grote zwarte ogen kijken me lachend aan. 

© La